Het zit in hoe ik soms verstijf als iemand onverwacht een hand op mijn schouder legt. In hoe ik lach terwijl mijn lichaam strak staat van spanning. In hoe ik automatisch zeg: “Het gaat wel,” terwijl het vanbinnen allesbehalve wel gaat.
De druppel
Het heeft mijn vertrouwen niet gebroken in één klap. Het heeft het langzaam uitgehold. Druppel voor druppel. Ik heb geleerd dat mensen die zeggen dat ze van me houden, me ook pijn kunnen doen. Dat veiligheid kan verdwijnen zonder waarschuwing. Dat mijn grenzen blijkbaar niet genoeg waren om mij te beschermen.
Muren
Dus heb ik muren gebouwd.Hoge muren. Dikke muren. Met scherpe randen. Ik ben goed geworden in afstand houden. In analyseren. In voelen wanneer iets niet klopt. Ik scan blikken, toon, stiltes. En word bang van de kleinste veranderingen. Ik laat mensen niet zomaar binnen. Want als ik niemand dichtbij laat komen, kan niemand me raken.
Niet waar
Maar dat is niet helemaal waar. Want soms komt er iemand die blijft. Iemand die niet duwt, niet eist, niet kleiner maakt. Iemand die vraagt wat ik nodig heb. Die mijn “het gaat wel” niet gelooft, maar ook niet boos wordt als ik nog niet alles kan vertellen.
Spannend
En dat is misschien nog wel het spannendst wat er is. Want als ik me hecht, dan doe ik dat diep. Intenser dan ik soms zelf begrijp. Als iemand er écht voor me is, voelt dat als ademhalen na jaren mijn adem inhouden. Ik wil niet “pleasen” en alles geven omdat ik zwak ben, maar omdat ik eindelijk iets voel dat veilig lijkt.
Angst
En precies dat maakt me bang. Want wie dichtbij mag komen, kan me ook weer pijn doen. Mijn hoofd fluistert dat het maar een kwestie van tijd is. Dat ik beter alvast afstand kan nemen. Dat ik niet moet geloven dat dit anders is. Soms saboteer ik het bijna zelf, omdat het te kwetsbaar voelt om echt te vertrouwen op iets moois.
Begrijpen
Het is vermoeiend om altijd alert te zijn. Om te twijfelen aan liefde. Om te denken dat ik “te veel” ben. Te gevoelig. Te beschadigd. Alsof mijn verleden als een schaduw met me meeloopt en iedereen het kan zien. Maar ik begin te begrijpen dat mijn moeite met vertrouwen niet betekent dat ik kapot ben. Het betekent dat ik iets heb overleefd.
Overleven
Mijn lichaam heeft geleerd dat de wereld onveilig kan zijn. Mijn hart heeft zich aangepast om mij te beschermen. Wat ooit nodig was om te overleven, maakt het nu soms moeilijk om echt te kunnen leven. Om me over te geven. Om te geloven dat ik niet meer in gevaar ben. Vertrouwen voelt voor mij niet licht en vanzelfsprekend. Het voelt als een sprong waarvan ik niet zeker weet of er iemand beneden staat om me op te vangen. Het is iemand toelaten en daarna uren twijfelen of ik niet te veel heb laten zien. Het is geraakt worden door iets kleins, omdat het iets ouds triggert.
Verbinding
En toch verlang ik nog steeds naar verbinding. Naar liefde die zacht is. Naar iemand die blijft, ook als ik het moeilijk heb. Dat verlangen is er altijd gebleven, hoe hard ik mezelf ook probeerde te beschermen. Misschien is dat mijn grootste kracht. Dat ik, na alles wat me is afgenomen, nog steeds durf te voelen. Dat ik (met veel moeite) nog steeds kan hechten. Dat ik ondanks de angst niet helemaal dicht ben gegaan.
Risico
Ik weet dat mensen me opnieuw pijn kunnen doen. Dat risico hoort bij liefde. Maar ik weet nu ook dat ik grenzen mag stellen. Dat ik weg mag gaan als iemand me geen veiligheid geeft. Dat ik niet hoef te blijven waar ik breek. Misschien begint vertrouwen voor mij niet bij de ander, maar bij mezelf. Bij het geloven dat wat mij is aangedaan niets zegt over mijn waarde. Dat ik het waard ben om veilig geliefd te worden. Dat mijn gevoeligheid geen zwakte is, maar een teken dat ik nog leef.
Kracht
Ik ben niet kapot. Ik ben iemand die iets heeft overleefd. En dat ik, ondanks alles, nog steeds durf te hechten — dat is geen zwakte. Dat is mijn rauwe, stille kracht